Stiekem donerende artsen verleden tijd? Dit zeggen experts
In dit artikel:
Misstanden met donorzaad uit de jaren zeventig en tachtig zetten de fertiliteitszorg opnieuw in de schijnwerpers. In die beginperiode waren donaties anoniem en bestond er weinig regelgeving; vers sperma was vaak vereist, waardoor artsen soms ter plekke moesten zorgen voor materiaal. Inmiddels is bekend dat in Nederland zeven gynaecologen en één laborant zonder toestemming eigen sperma gebruikten bij behandelingen, onder hen de voormalige Rijnstate-arts Alexander Schmoutziguer.
Belangrijke veranderingen sinds die tijd:
- Anonimiteit is afgeschaft: vanaf 2004 hebben donorkinderen recht op informatie over hun biologische afstamming.
- Spermavoorraad wordt ingevroren en beheerd in donorbanken, waardoor ad-hoc gebruik van “vers” zaad is overbodig.
- Screening en kwaliteitstesten van donoren zijn aangescherpt, en er worden profielgegevens van donoren bijgehouden.
- Sinds 2025 bestaat er een landelijke donorregistratie (met terugwerkende werking tot 2004). Elke donor heeft een unieke code; die wordt geblokkeerd zodra maximaal twaalf moeders aan die code gekoppeld zijn, waarmee overschrijding praktisch onmogelijk moet worden gemaakt.
Zorgprofessionals ervaren de huidige werkwijze als veel transparanter en beter controleerbaar. Dossiers zijn digitaal en beslissingen worden door meerdere afdelingen gecontroleerd in plaats van via één arts. Rijnstate zegt extra controles te doen: meerdere medewerkers en patiënten checken vóór inseminatie of het juiste zaad wordt gebruikt; digitalisering (barcodes op rietjes) moet dit verder afdichten. Vanwege veel lesbische stellen past Rijnstate de nationale norm interpreteren als maximaal twaalf vrouwen per donor, waarbij iedere moeder een eigen code krijgt om overschrijdingen te beperken.
Toch blijven zorgen bestaan. Stichting Donorkind, onder leiding van Ties van der Meer, erkent verbeteringen maar waarschuwt dat het systeem niet waterdicht is: kwaadwillende artsen zouden theoretisch nog steeds hun eigen sperma kunnen inzetten zonder dat dat snel aan het licht komt. Ook duurt het volgens de wet zestien jaar voordat donorkinderen volledige donorgegevens kunnen opvragen, waardoor fouten pas laat zichtbaar worden en juridische stappen vaak lastig zijn.
Kortom: technische en wettelijke hervormingen hebben het risico op herhaling sterk verkleind — landelijke registratie, invriezen van zaad en DNA-databanken hebben veel misstanden aan het licht gebracht — maar belangenorganisaties pleiten voor meer openheid en extra voorzorgsmaatregelen, zoals ontmoetingen tussen donoren en wensouders vóór behandeling en directe bekendmaking van andere gezinnen van dezelfde donor.