Van wie is deze kunst? Oorlogswerken blijven raadsel
In dit artikel:
Gelderse musea herbergen nog steeds kunstwerken met onduidelijke oorlogsherkomst. Voorbeelden zijn een portret van koning Willem II in Paleis Het Loo dat ooit toebehoorde aan de Joodse fotograaf Jérôme Fraekel (die de oorlog niet overleefde), een servies in Museum Nairac in Barneveld dat na de oorlog bij Kasteel De Schaffelaar werd gevonden, en een recent opduikend doek uit de collectie van de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker: Portret van een jong meisje van Toon Kelder, dat na de bezetting is verdwenen en nu in huiselijk bezit van familieleden van de samenwerker Hendrik Seyffardt is teruggevonden. Ook eerder werd een Goudstikker-schilderij per toeval opgespoord via een Argentijnse vastgoedadvertentie.
De problematiek reikt verder dan individuele vondsten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofden Duitse troepen en nazi-functionarissen grootschalig kunst voor onder meer Hitlers geplande Führermuseum in Linz. Aan het einde van de oorlog troffen geallieerde opsporingsteams en de zogeheten Monuments Men grote depots aan in zoutmijnen, kastelen en opslagplaatsen; veel werken konden teruggegeven worden, maar naar schatting blijven tienduizenden objecten spoorloos, volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Na de bevrijding kwam veel teruggevonden goed terecht bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Een deel werd in de jaren vijftig aan eigenaren teruggegeven, een deel geveild en het restant als NK-collectie bewaard — die collectie beheert tegenwoordig de RCE. Vanaf eind jaren negentig kreeg het restitutiebeleid meer structuur: in 1998 sloten 44 landen afspraken op de Washington Conference over omgang met nazi-roofkunst; rond 2001 werd in Nederland de Restitutiecommissie ingesteld om ministers te adviseren over teruggave uit de rijkscollectie.
Herkomstonderzoek is specialistisch en complex: onderzoekers combineren aankoopregisters, veilingcatalogi, oorlogsadministraties en sporen op het object zelf (etiketten, inventarisnummers). Alleen wanneer sprake is van roof of gedwongen verkoop komt restitutie in beeld; reguliere handel tijdens de oorlog kan de status compliceren. Ook transacties via instellingen als de Liro-bank worden kritisch beoordeeld, omdat Joodse eigendommen daar onder dwang werden ondergebracht.
De verantwoordelijkheden zijn verdeeld: de RCE behandelt NK-collectieobjecten, maar musea zijn zelf verplicht volgens ethische codes en museumnormen herkomstonderzoek binnen hun collecties uit te voeren. In de praktijk leidt dat tot langdurige onderzoeken en onopgeloste zaken: Paleis Het Loo nam in 2013 contact op met de familie van het Fraekel-werk en koos in overleg niet tot teruggave; het schilderij ligt nu in depot en was tijdelijk in 2024 te zien met toelichting over de roofgeschiedenis. Het servies in Barneveld kon door het Joods Historisch Museum niet eenduidig aan een voormalig eigenaar worden gekoppeld; een oproep in de lokale krant leverde twintig jaar geleden niets op.
De RCE zet het speurwerk voort. Mensen met informatie over verdwenen kunst of mogelijke rechthebbenden kunnen zich melden via restitutie@cultureelerfgoed.nl.