Gelderland was ooit het middelpunt van deze industrie
In dit artikel:
Langs veel Gelderse rivieren steken nog altijd hoge schoorstenen boven het landschap uit: herinneringen aan een eeuwenoude baksteenindustrie die het Rivierengebied vanaf de negentiende eeuw domineerde. Het gebruik van baksteen gaat terug tot de Romeinen — op De Holdeurn bij Berg en Dal werden al dakpannen gebakken — maar in de negentiende eeuw nam de productie door industrialisatie en groeiende bouwvraag een enorme vlucht.
Waarom juist Gelderland? De vele rivieren leverden continu rivierklei, waardoor fabrieken dicht bij de uiterwaarden konden liggen en de grondstof gemakkelijk aangevoerd werd. Bovendien was er veel vraag: snelgroeiende steden, nieuwe wegen en militaire fortificaties vroegen om miljoenen stenen. Rond 1881 werkten in het Gelderse Rivierengebied bijna 8.500 mensen in circa 140 steenfabrieken; in sommige dorpen, zoals Beuningen en later Maurik, was de industrie de belangrijkste werkgever.
Het leven in en rond de fabriek was extreem zwaar. Voor de mechanisatie werden stenen met de hand gevormd; zelfs na industrialisatie bleef het werk lange, fysiek belastende dagen kennen. Arbeiders begonnen vaak al vroeg en werkten tot in de avond, vaak op stukloon. Vrouwen en kinderen deden veel van het sjouwwerk; kinderen droegen houten vormen heen en weer en liepen soms dagelijks tientallen kilometers. Door het seizoen van vorst viel de productie in de winter grotendeels stil, waardoor veel gezinnen maanden zonder inkomen zaten.
In de twintigste eeuw veranderde de sector door automatisering en schaalvergroting: minder werknemers konden steeds meer stenen produceren. Daardoor sloten veel kleine, traditionele fabrieken en verschoof de productie naar enkele moderne locaties (onder meer in Aalst en Rossum). Oude fabrieksgebouwen en schoorstenen kregen vaak een nieuwe bestemming als woonhuis, museum of evenementenlocatie, maar het landschap blijft getekend door de industrie.
Ook de kleiwinning liet blijvende sporen: diepe kleiputten vervulden zich met water en ontwikkelden zich tot bijzondere natuurgebieden met eigen vegetatie en vogel- en amfibieënhabitats; de Krobsche Waard is een veelgenoemd voorbeeld. Historici zoals G.B. Jansen en Marcel Dings benadrukken zowel het economische belang van de steenfabrieken voor de regio als de zware omstandigheden waaronder veel arbeiders leefden. De schoorstenen zijn tegenwoordig monumenten van een veranderde economie en van de omgang tussen mens, industrie en rivierlandschap.